Scholen voor het basisonderwijs en speciaal onderwijs krijgen vanaf 1 januari 2023 een basisbedrag per leerling en school.

Schoolbesturen kunnen dit geld naar eigen inzicht besteden. Daarnaast wordt het volledige bedrag vanaf dat moment per kalenderjaar vastgesteld zodat de volledige bekostiging op hetzelfde moment bekend is. Dit staat in het wetsvoorstel Vereenvoudiging bekostiging po.

Het wetsvoorstel geldt voor het basisonderwijs, speciaal basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs. Op 26 januari 2021 is het wetsvoorstel door de Tweede Kamer aangenomen. Als ook de Eerste Kamer akkoord is, gaat het voorstel op z’n vroegst in op 1 januari 2023.

Het is belangrijk dat u bij de berekening van de hoogte van de rijkbijdragen in de meerjarenbegroting rekening houdt met de (herverdeel) effecten van de vereenvoudiging van de bekostiging.

Doelstelling: met het wetsvoorstel wil het kabinet de bekostiging voor scholen in het basisonderwijs en speciaal onderwijs:

  1. Duidelijker maken: Scholen krijgen 1 basisbedrag per leerling en per school. Zij krijgen niet langer aparte budgetten voor personeel en materieel. Materieel is onder andere leermiddelen en onderhoud van de gebouwen.
  2. Eenvoudiger maken: De 130 rekenregels moeten naar ongeveer 30 regels. Dat maakt de berekening en de verdeling van het geld eenvoudiger voor de scholen. Verder wordt het voor de medezeggenschapsraad of de raad van toezicht van de school eenvoudiger om de bekostiging te controleren.
  3. Beter voorspelbaar maken: De bekostiging wordt per kalenderjaar (in plaats van schooljaar) vastgesteld. Zo krijgen scholen op hetzelfde moment inzicht in de volledige bekostiging. Het aantal leerlingen dat een school heeft, is belangrijk voor de hoogte van het bedrag dat scholen krijgen. In het wetsvoorstel gaat de teldatum naar 1 februari van het vorige kalenderjaar. Voorbeeld: het bedrag voor het kalenderjaar 2023 wordt vastgesteld met de teldatum op 1 februari 2022.

Overgangsregeling: Met het wetsvoorstel verandert de manier van berekenen van het geld dat een schoolbestuur krijgt. Door deze andere berekening kan een schoolbestuur vanaf 2023 iets meer of iets minder geld krijgen. Voor de eerste 3 jaren is er een overgangsregeling. Hierdoor krijgen scholen de tijd om hun uitgaven aan te passen aan de nieuwe situatie. Met een rekenmodel kunnen scholen het nieuwe basisbedrag per school en per schoolbestuur berekenen.

Betaalritme vordering: Op dit moment vindt de personele bekostiging van het primair onderwijs door het Rijk plaats op basis van schooljaren. De betaling van de bekostiging (betaalritme) vindt niet middels maandelijks gelijke termijnen plaats, maar met verschillende percentages. Hierdoor wordt in de eerste vijf maanden van het schooljaar 34,55% en in de laatste 7 maanden 65,45% uitbetaald. Een tijdsevenredige uitbetaling zou leiden tot een uitbetaling in de eerste vijf maanden van 41,67% en in de laatste zeven maanden van het schooljaar van 58,33%. Anders gezegd: in de eerste vijf maanden van het school krijgen de scholen 7,12% minder dan tijdsevenredig uitbetaald, hetgeen in de laatste vijf maanden van het schooljaar weer wordt ingehaald. Schoolbesturen nemen voor die 7,12% een overlopende vordering op het ministerie in de balans op. De grondslag voor deze overlopende vordering is gelegen in het feit dat er per 31 december sprake is van een lopende beschikking, op grond waarvan men 5/12e toe rekent aan het betreffende kalenderjaar. Door de overgang naar kalenderjaarbekostiging vervalt in feite deze grondslag: per 31 december is er immers geen sprake meer van een lopende beschikking.

Astrium heeft begrepen dat het Ministerie van OCW in 2022, voordat de nieuwe bekostiging ingaat, een beschikking gaat afgeven voor de laatste vijf maanden van het kalenderjaar welke gebaseerd is op het huidige betaalritme (dus 34,55%). Schoolbesturen krijgen dan 7,12% minder dan tijdsevenredig vergoed en kunnen daardoor geen vordering per 31 december meer opnemen, omdat de juridische grondslag hiervoor ontbreekt. Dat betekent dat schoolbesturen de huidige vordering op OCW (ca. 7,12% van de schooljaarbekostiging) die zij per jaareinde opnemen op OCW niet meer kunnen opnemen. Eén en ander heeft geen effect op de bekostiging/liquiditeit van schoolbesturen – er wordt hierdoor geen euro minder beschikbaar gesteld aan schoolbesturen – maar leidt tot een lagere vermogenspositie bij schoolbesturen ter hoogte van in het totaal circa €450 miljoen (op basis van de situatie in 2018).

De situatie is op dit moment onderwerp van overleg met het Ministerie van OCW en accountantskantoren. Hierbij zijn de volgende opties mogelijk:

  1. Het Ministerie van OCW financiert de vordering af en vergoed in de laatste vijf maanden van het overgangsjaar geen 34,55%, maar 41,67% (5/12) van de personele bekostiging.
  2. Schoolbesturen krijgen de mogelijkheid om een ‘eeuwigdurende vordering’ op de balans op te nemen (zoals in 2005 is bedacht voor het voortgezet onderwijs toen zij overgingen van schooljaar- naar kalenderjaarbekostiging).
  3. Er gebeurt niets, hetgeen leidt tot een eenmalige afboeking van de vorderingen die nu op de balans bij de onderwijsinstellingen staan.

Wij blijven u informeren over hoe om te gaan met de betaalritme vordering in uw balans als gevolg van de aangekondigde vereenvoudiging van de bekostiging.

Het is belangrijk dat u bij de berekening van de hoogte van de rijkbijdragen in de meerjarenbegroting zoveel mogelijk al rekening houdt met de (herverdeel) effecten van de vereenvoudiging van de bekostiging.

Sorry, this website uses features that your browser doesn’t support. Upgrade to a newer version of Firefox, Chrome, Safari, or Edge and you’ll be all set.